Start > Nieuws > Het wasbord en ik

Het wasbord en ik

28 april 2011

Eindelijk heb ik dan een bescheiden bijdrage kunnen leveren aan Jaap’s magnifieke Instrumenten galerij (zie ook zijn artikel over het wasbord in de rubriek Onze Instrumenten).

Het wasbord en ik.

Die middag kwam ik bij Huib, mijn beste vriendje, op bezoek en zat ik op de trap te kijken hoe hij mondharmonica speelde en Joost, die bij mij op school zat, viool, met die anderen die ik niet kende. Ik voelde me buitenstaander en jaloers op de manier waarop ze met elkaar muziek maakten. Tot Joost me ineens aankeek, zijn hoofd een beetje schuin, peinzend, schattend, en zei: ‘Heb jij zin om wasbord te spelen? Ik denk zo dat jij het wel zou kunnen.’
Nou had ik mijn hele leven, tot ergernis van mijn moeder, zitten tikken op de tafel, dus ik zei ja. Zo kwam ik bij de CCC en ik ben gebleven, tot op de dag van vandaag, 45 jaar later.
Ik was enorm fanatiek en oefende de hele dag, tot ik er alles op kon spelen wat ik wilde. Ik had een houten wasbord met een zinken golfblad. Om mijn vingertoppen had ik metalen vingerhoeden (ik had gehoord dat men ook wel met lepels wasbord speelde, maar dat was niets voor mij), drie voor elke hand, zes in totaal. Ik gebruikte maat 16 voor mijn ringvinger, maat 17 voor mijn middelvinger en maat 18 voor mijn wijsvinger. Ik liep stad en land af want vingerhoeden van die grootte waren niet gemakkelijk te krijgen omdat ze alleen maar werden gekocht door dames van bijzonder forse omvang en die waren in die tijd nogal schaars, en ik ging zo te keer op mijn instrument, dat ik elke twee, drie optredens vingerhoeden en
wasbord moest vervangen. Het gebeurde niet zelden dat ik het golfblad stuk sloeg en er strips uit omhoog staken, waar ik mijn handen aan open haalde. Ook kreeg ik steevast bloedblaren waar de randen van de vingerhoeden in mijn vingers drongen. Ik heb een tijdje gespeeld met pleisters die ik van tevoren om mijn vingers wond, maar toen ik steeds meer piano ging spelen, ben ik daar mee gestopt omdat mijn vingers aan de toetsen bleven kleven, en nam ik de bloedblaren voor lief.
De wasborden kon ik tot begin jaren 70 nog kopen bij een oud mannetje op de Albert Cuyp in Amsterdam, die ze eigenhandig voor mij maakte. Maar toen hij stierf was ik aangewezen op rommelmarkten en tweedehands winkeltjes, en werd zo getraind in het ‘spotten’ van wasborden, dat ik ze ook nu nog direct tussen oude rommel zie staan. Ik heb ze alleen niet meer nodig, omdat ik de laatste twintig jaar op een onverslijtbaar stalen wasbord speel. Weliswaar is de klank ervan niet zo warm als die van de zinken modellen, maar ik kan er
verder mijn leven lang mee doen, alhoewel ik begin te vermoeden dat mijn voortschrijdende doofheid te danken is aan het agressieve karakter van mijn geliefde instrument.
Hoe dan ook, ik heb inmiddels eveneens de hand weten te leggen op stalen vingerhoeden, zodat het ook wat dat betreft niet meer stuk kan.

Hier een foto van mij uit 1975, spelend op een al flink gehavend wasbord. Het moet een vreemd gezicht zijn geweest voor buitenstaanders, mij zo fanatiek te zien tekeer gaan op zo´n ongewoon instrument.

Het verhaal gaat, dat toen Lonnie Donegan (zie de verhandeling van Jaap) mij eens had zien spelen, hij zei dat hij de beste wasbordspeler ter wereld had gezien. Of het waar is weet ik niet, trots was ik in ieder geval wel.

Ernst Jansz, april 2011

Nieuws